I

16 november 2012

“Fien, er is vast niks, maar ga toch nu direct even naar de spoedeisende hulp.” De huisarts had een beetje bezorgd gekeken toen hij naar mijn hart luisterde met zijn stethoscoop, maar gaf me direct erna een warme blik vol vertrouwen. Ik voelde me een beetje een aansteller dat ik hier weer zat. Er zijn toch zoveel mensen die moe zijn? Die zich om onduidelijke redenen niet helemaal lekker voelen? Maar goed, mijn zus Dorka had wel gelijk toen ze zei dat in het prullenbakje van de trein kotsen van ellende niet helemaal meer binnen het normaal-spectrum thuishoort. Dus nu zijn we onderweg naar het ziekenhuis, terwijl ik eigenlijk onderweg had moeten zijn naar Rijswijk. Naar het ANP, naar mijn eerste echte journalistenbaan.

 

Druk daar op de spoedeisende hulp. Iedereen is vrolijk, er hangt een bijna jolige stemming. Blauwe jassen, een gekrioel van wieltjes van bedden en andere verrijdbare objecten, verschrikkelijk licht dat mijn wallen wel erg zichtbaar zal maken. Een arts-assistent komt me halen. We gaan in zo’n geïmproviseerd hok, waarbij gordijnen de enige scheiding zijn tussen ons, de aanstelzussen, en de echte zieken: mensen met gebroken benen en misschien wel hartaanvallen. De assistent stelt routinevragen en luistert vervolgens naar mijn hart en longen. De onderzoekjes die ik al ken, maar waar nooit iets uitkomt. Er komt een andere dokter bij, die ook luistert. Er worden foto’s en scans en filmpjes en weet ik het gemaakt. Allemaal zo snel, terwijl ik wat op de bedrand bungel met mijn korte benen en denk aan de donuts die ik ga meenemen voor Ad Valk – mijn mentor in de nieuwslezerij – als ik weer naar kantoor kan. Om sorry te zeggen voor het feit dat ik ziek ben, en dat ik laatst dwars door zijn opname heen hoestte.

 

Ik heb al acht mensen gezien; artsen, verpleegkundigen, artsen in opleiding. Is het de bedoeling dat ik hun namen onthoud? Ze lachen stuk voor stuk vriendelijk en zeggen allemaal hetzelfde: “Maak je geen zorgen hoor. We wachten nog even op de uitslag van je foto en dan komt de volgende dokter bij je.” Als we terugkomen van de CT- scan is de ruimte waar ik eerder zat vergeven. Of we even kunnen wachten in de receptieruimte. Joe, doen we! Mijn zus duwt me in de rolstoel die we hebben gekregen terug naar de rumoerige spoedeisende hulp, waar mensen binnenkomen met verbrande ledematen en ambulancebroeders de slachtoffers van verkeersongelukken op hun brancards discreet achterlangs het ziekenhuis insturen.

 

Er is wel wat.

 

Ik heb dat door als de wachtkamer van de spoedeisende hulp vrijgemaakt wordt. Alle patiënten om ons heen wordt verzocht even in een andere ruimte plaats te nemen. Een groep artsen komt op ons aflopen; het lijkt wel een boyband in V-formatie, in slow motion met wapperende witte jassen en ernstige blik. Dorka en ik knijpen in elkaars hand. We fluisteren tegen elkaar: “Wat zijn die artsen allemaal jong, zeg. Het lijkt hier wel een ziekenhuisserie”, in een poging luchtig te doen. De artsen gaan zitten en halen diep adem. Ze zeggen iets over een hartzakje dat zo vol vocht zit, dat ze direct moeten ingrijpen, want anders begeeft het het. Binnen een uur, hoor ik. Een paar liter, hoor ik. En ik hoor: “Ik vind het heel vervelend om te zeggen Fien, je hebt kanker.”

Daarna hoor ik geen woorden meer, maar een soort ruis in de verte van piepjes, telefoons die overgaan, het huilen van Dorka, haar verhoogde stem die vragen stelt, flarden tekst van de jonge dokters over de eerste stappen van een behandelplan. Ik moet weg hier, denk ik, ik moet mijn werk bellen. En dan gaat mijn journalistenbrein aan de slag: kan dit waar zijn? Waar is het bewijs? Wat is de oorzaak en wat is het gevolg? Hoe kan ik hier een logisch en begrijpelijk item van produceren dat ik zelf ook nog snap?

 

#

 

Schuldgevoel. Meteen. Het overvalt me als een reeks gedachten die ik niet kan stopzetten. Ik had beter naar mezelf moeten luisteren. Ergens diep van binnen wist ik dat het niet oké was. Dat mijn lijf al een tijd iets tegen me wilde zeggen. Hoe kan ik nou al die keren, zelfs vijf minuten geleden nog, ‘niks aan de hand’ geloofd hebben, terwijl ik me zo ziek voelde? Is het dom dat ik al die artsen meer vertrouwd heb dan mijn eigen lijf?

 

Ik kijk naar de verlaten stoeltjes in de wachtkamer en denk aan de huisartsenpraktijk. Ik ben er de afgelopen tijd een aantal keer geweest, zag verschillende huisartsen die binnen de koepel werken. Ik denk aan de diagnose ‘astma’, aan de onduidelijke pijntjes van de agelopen tijd, de vage klachten die ik niet serieus genoeg genomen heb. En de artsen ook niet. Ik denk aan het puffertje dat ik kreeg van de ene huisarts, de preek over mijn drukke leven van de andere. De longontsteking, de dubbele longontsteking, een longembolie. De vreemdste reactie was een paar weken geleden nog, toen ik aangaf te bloeden nadat ik voor het eerst met Jelle had geslapen. “Dat lijkt op een soa, mevrouw Vermeulen. Ik zie in uw dossier dat u wel erg vaak langskomt in deze praktijk. We zullen het eens over uw levensstijl moeten hebben.”

Ik denk aan de keren dat ik in de kroeg stond, niet bereid om ook maar een sociale activiteit over te slaan terwijl ik eigenlijk te moe was. Aan de keren dat ik tegen mijn ouders klaagde dat ik me ziek voelde, maar het uiteindelijk steeds werd terug geredeneerd naar ‘logisch, met al dat slaaptekort, al die wijntjes, je drang om hoge cijfers te halen en ook nog een druk sociaal leven en twee bijbanen’.

 

Ik probeer te ontdekken waar ik de fout in ben gegaan. Wanneer heb ik die kanker veroorzaakt? Flarden van mijn jeugd schieten voorbij. Ik was altijd al een ontzettende streber. Dat irritante kind dat de dag na de zomervakantie een vrijwillige spreekbeurt ging houden over de Deltawerken. Omdat ik ze bezocht had met mijn vader en wilde dat alle kinderen wisten hoe ontzettend interessant dat was. Anderen informeren over wat er gebeurt in de wereld was mijn belangrijkste missie. Dat deed ik door vreemde collecties samen te stellen van dingen die ik in de buurt vond, zoals een insecten- of een enveloppenverzameling. Daar maakte ik dan exposities of journaals van. Voor mijn poppen, klasgenoten, familieleden of buren. Alles om te delen. Aldith Hunkar, die toen het Jeugdjournaal presenteerde, was mijn grote voorbeeld. Alles wat Aldith zei, vond ik cool en wilde ik ook weten. Aldith daagde mij uit om de wereld te gaan leren kennen.

 

Toen het einde van de middelbare school in zicht kwam, had ik een plan. Ik had onderzocht wat mijn favoriete nieuwsiconen en televisiepresentatoren gestudeerd hadden. Het was veelal een brede universitaire studie. Ik koos voor Nederlands. Schrijven en taal vond ik geweldig. Een academische opleiding als start van mijn carrière. Moest ik wel eerst een propedeuse halen op het HBO om die Universiteit op te komen dus hup, Bedrijfscommunicatie doen en dan door. Ik ging op kamers in Amersfoort, schreef me in voor Nederlands en zorgde ervoor dat ik aan alles meedeed. Want ook dat had ik bestudeerd: goede presentatoren hebben ook een beetje levenservaring. En natuurlijk een breed netwerk. Dus: de kroeg in, veel mensen leren kennen, altijd als laatste blijven, dubbele bijbaan, maar wel nog hoge cijfers halen natuurlijk. Stagelopen in Barcelona. Daar een stuk over schrijven, waarmee ik vervolgens een of andere wedstrijd won. Daardoor lezingen mogen geven aan andere studenten. Spreken, inspireren. Ik vond het allemaal geweldig. Ik werkte hard, genoot met volle teugen, was overtuigd van mijn missie.

 

Op een dag mocht ik naar binnen bij het Grote Interview Gala in de Stadsschouwburg in Amsterdam. Wow, wat voelde ik me cool en happening. Een mooie jurk aan, aan mensen vertellen dat ik Nederlands studeer aan de Universiteit, dat ik al werkervaring opdoe, dat ik een beurs gewonnen heb en lezingen geef. Mijn toekomstige werkveld helemaal in me opzuigen, zodat ik er later nog beter tussen zou passen. Fien Vermeulen ten voeten uit: alles onder controle.

 

Het gala was gezellig, ook al had ik er uiteindelijk natuurlijk niet veel te zoeken. Net als alle andere gasten trouwens, zo leek het. Maar toen gebeurde het. Mijn leven veranderde voorgoed. Ik wist zeker dat ik op het juiste pad zat, dat God me hier een bevestiging gaf, ook al geloof ik niet eens dat Hij bestaat. Op een van de fluwelen trappen zag ik Aldith Hunkar. Al-dith Hun-kar. Mijn held sinds ik een klein meisje was. Was ik star struck? Hell no, ik had haar nodig! Er zaten ongeveer zeven mensen tussen haar en mij, dus ik moest tempo maken, calculeerde ik snel. Ik heb iedereen aan de kant gebeukt om haar in te halen. Haalde even diep adem en zei toen tegen haar: “Ik heb een droom, en jij moet me helpen.” Ze keek me even verbaasd aan, zei dat ze een luchtje ging scheppen en vroeg of ik mee wilde lopen. Terwijl we de trappen naar beneden namen, ratelde ik zo ongeveer mijn hele levensverhaal af, om haar maar duidelijk te maken hoe belangrijk ze voor me was. Aldith zei: “Oké, laten we afspreken.” Oh my god.

 

De afspraak kwam er nog ook. Bij haar thuis gaf Aldith Hunkar me nieuwsleesles. Supercool. Ze zei dat er wel wat in zat en gaf me het advies om gewoon veel meters te gaan maken. Lokale omroepen, go. Hoef je tegen mij geen twee keer te zeggen. Het meest leerzame van dit alles was nog wel dat je dus gewoon om hulp kunt vragen.

 

Dus: ik besloot uit te zoeken wie nog meer mensen waren van wie ik zou kunnen leren. En zo kwam ik bij het ANP terecht, om met Ad Valk mee te lopen. Hij zou mij gaan coachen. De meester zelf. De koning van het Nederlandse radionieuws. Al zolang ik me kan herinneren. Bovendien leidde hij ongeveer alle nieuwslezers van ons land op. Dus ik wilde natuurlijk maar wat graag in zijn buurt zijn. De deal was dat ik er ook nog twee dagen redactiewerk bij zou doen bij het ANP. Het Algemeen Nederlands Persbureau. Een instituut sinds 1934. Daar waar het nieuws gemaakt wordt. Prima deal voor een streber als ik, ook al moest ik twee dagen per week om zes uur in de ochtend in Rijswijk beginnen aan een shift op de redactie. Daarna naar Amsterdam voor de studie, werken bij de lokale omroep in Amersfoort, plus nog lekker veel uitgaan en een studentenleven leiden.

 

Beetje veel hè, Vermeulen? Dan krijg je dus kanker blijkbaar. Dan is het je eigen schuld. Dan vraag je erom kapot te gaan. Ze waren er hoor, de tekenen, waardoor je in een film altijd snapt dat er iets ergs gaat gebeuren. Hoesten, jeuk, nachtzweten. Pijntjes in mijn borst. Zo moe. Dof haar. Dik gezicht. Waarom luisterde ik niet beter naar mijn lichaam?

 

Al een tijd lukt het me niet meer mijn kamer op te ruimen. Te moe voor. Het is een teringzooi. Etensresten, vieze was, stof – ik heb meerdere keren gedacht: jemig, ik zal hier maar doodgaan. ‘Jonge vrouw (21) gevonden in berg afval’, was de krantenkop in mijn hoofd. Ik herkende mezelf niet, ik was toch die harde werker, niet een of ander vies meisje? Mijn moeder was overstuur toen ze langskwam. “Ga toch terug naar de huisarts. Dit is toch niet normaal?”

 

Ik denk aan het Sinterklaasjournaal dat ik maakte voor de lokale omroep. Een interviewprogramma bij iemand thuis aan de keukentafel. Ik moest zo erg hoesten dat de opnames onbruikbaar waren. Longontsteking, was de diagnose. Ook toen kreeg ik te horen dat ik te druk was. Niemand stuurde me door, niemand dacht aan iets ernstigers. Ik voelde me dus eigenlijk al maanden zo ziek, maar ik ben niet thuisgebleven. Want ik had niets.

 

Ik was gaan geloven dat ik een aansteller was. Dat mijn lichaam niet kon meekomen met mijn ambitie, maar dat de ‘mind over body’ mindset me ging redden. Precies een maand geleden begon ik aan mijn stage bij Ad Valk. Ik zou volgende week horen of ik een betaalde baan zou krijgen bij het nieuws. Dat leek me al best onwaarschijnlijk nadat ik zijn hele journaal had vol gehoest vorige week. Maar nu weet ik zeker dat het niet meer gaat gebeuren.

 

Eigenlijk was ik precies waar ik zijn wilde, ik lag op schema, en nu zegt er iemand uit een boyband dat ik kanker heb. Ik mag niet naar huis. Ik zit in een verlaten wachtkamer. Niet eens verlaten, maar ontruimd. Voor mij. Ik ben weer eens een uitzondering. Natuurlijk. Normale kankerlijers krijgen een diagnose en leven een tijd toe naar een behandeling, maar Fien Vermeulen krijgt het voor elkaar om pas op het hoogtepunt, bij het doodvonnis, in te stappen. Het is zo bizar dat ik ervan moet grinniken.